Optellen bij redactiesommen, waarom het toch misgaat

Gepubliceerd op 6 april 2026 om 11:59

Er komt iets bij — en toch gaat het mis

Ze weet het antwoord al voordat ze de som uit heeft.

"Samen" — dus optellen. De juf van groep 3 heeft 7 sommen nagekeken, daarna nog 2. Hoeveel heeft ze nagekeken? 3 + 7 + 2 = 12.

Drie getallen, dus drie getallen optellen. Logisch toch?

Alleen staat er helemaal geen 3 in de som. Dat is het getal van de groep. Maar dat is geen gegeven — dat is achtergrond. De leerling heeft getallen verzameld in plaats van de situatie gelezen.

Optellen bij redactiesommen

"Er komt iets bij" lijkt de makkelijkste situatie van allemaal. Optellen, toch? Maar juist daarom gaat het zo vaak mis. Leerlingen denken dat ze het snappen — en slaan daardoor de situatie over.

Het woord stuurt het denken

In een boomgaard staan 5 rijen bomen. In elke rij staan 25 bomen. Hoeveel bomen zijn het samen?

"Samen" zegt het brein. Optellen dus. 5 + 25 = 30.

Maar er komt hier helemaal niets bij. Er zijn gewoon 5 rijen van 25. De situatie is: gelijke groepen. De bewerking is vermenigvuldigen.

Het woord "samen" klopt — je telt in zekere zin alles bij elkaar op. Maar de structuur van de situatie is anders dan het woord suggereert. En als leerlingen op het woord sturen in plaats van op de situatie, komen ze hier consequent verkeerd uit.

 

Twee stappen, één valkuil

A heeft 27 knikkers. B heeft er 8 minder. Hoeveel hebben ze samen?

Dit is wél een "er komt iets bij" situatie — aan het einde. Maar er zit een stap voor. Eerst moet je weten hoeveel B heeft. Dan pas kun je optellen.

Leerlingen die op het woord sturen zien "minder" en trekken af: 27 - 8 = 19. Klaar. De vraag "samen" zien ze niet meer, of ze tellen 27 + 8 op omdat ze beide getallen willen gebruiken.

De situatie begrijpen betekent hier: twee dingen herkennen. Eerst een verschil, dan een samenvoeging. Dat zijn twee verschillende situaties in één som.

 

Procenten als vermomde toename

In een zak zitten 300 gram chips. Je krijgt 20% extra. Hoeveel gram zit er in de zak?

Dit is "er komt iets bij" — maar dan vermomd als percentage. Leerlingen die de situatie niet herkennen, berekenen 20% van 300 en stoppen daar. 60 gram. Maar de vraag is hoeveel er in de zak zit. Dat is 300 + 60 = 360.

Ze hebben de bewerking goed. Ze missen de situatie.

 

Wat helpt

Niet meer woorden leren. Niet "als je samen ziet, tel je op." Dat is precies wat dit probleem veroorzaakt.

Wat helpt is leerlingen laten verwoorden wat er gebeurt — nog voordat ze een bewerking kiezen. Wat gebeurt er in dit verhaal? Wordt het meer of minder? Hoeveel stappen zijn er?

De situatie is het vertrekpunt. Het woord is aanwijzing, geen bewijs.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.