Rekentaal is niet één ding Over taal bij rekenen, rekenfases en het begrijpen van redactiesommen

Gepubliceerd op 14 januari 2026 om 09:04

Rekentaal is niet één ding Over taal bij rekenen, rekenfases en het begrijpen van redactiesommen

In het basisonderwijs speelt rekentaal een grote rol bij het begrijpen van redactiesommen.
Leerlingen gebruiken taal om een situatie te lezen, te begrijpen, een som te plannen, uit te rekenen en te controleren.
Toch wordt rekentaal vaak gezien als één vaardigheid, terwijl zij in werkelijkheid verschilt per rekenfase, per domein en per grootheid.

In deze blog laat ik zien waarom taal bij rekenen geen bijzaak is,
maar een essentieel onderdeel van betekenisgericht rekenonderwijs.

Rekenen verloopt in fases – en elke fase vraagt andere rekentaal

Veel scholen werken met het drieslagmodel rekenen:

  • plannen

  • uitvoeren

  • reflecteren

Binnen En Route werken we daarnaast met een concreet stappenplan voor redactiesommen:

  1. lezen

  2. wat is de situatie?

  3. som maken

  4. rekenen

  5. controleren

Ongeacht welk model je gebruikt, is het goed je realiseren dat elke fase zijn eigen taal en woorden heeft. Van leerlingen verwachten we dat ze die allemaal kennen en herkennen. 

1. Lezen

(drieslag: plannen – stap 1)

In de leesfase gaat het nog niet om rekenen. De taal die hier nodig is, is begrijpend-leestaal. Typische woorden en uitdrukkingen in deze fase zijn:

  • tijdsaanduidingen: twee weken later, per dag, daarna

  • volgorde: eerst – dan – uiteindelijk

  • context: in totaal, samen, per stuk

  • verwijzingen: deze, die, elk, iedere

Voorbeeld

Twee weken later koopt ze opnieuw kaartjes.
In totaal wil ze er twaalf.

Wie hier al denkt aan keer of gedeeld door,
is eigenlijk te vroeg in een volgende fase beland.

Lezen is geen voorportaal van rekenen, maar een inhoudelijke rekenstap.

2. Wat is de situatie?

(drieslag: plannen – stap 2)

In deze fase draait het om betekenis geven: Wat gebeurt er in deze situatie? De taal is hier beschrijvend, zonder bewerkingen.

Woorden die hier thuishoren:

  • er komt iets bij

  • iets wordt meer

  • iets blijft gelijk

  • er verandert iets

  • het verschil

  • de rest

Voorbeeld

Er komt geld bij. Het bedrag wordt hoger dan eerst.

Nog steeds:

  • geen som

  • geen bewerking

  • geen uitkomst

Slaan leerlingen deze fase over, dan wordt de som later een gok.

3. De som plannen

(drieslag: plannen – stap 3)

Pas nu komt de vraag: Welke som past bij deze situatie?

De rekentaal verschuift naar redeneer- en verklaartaal. Woorden die in deze fase belangrijk zijn:

  • omdat, dus, daarom

  • in totaal

  • per stuk, per keer

  • verschil tussen

  • evenveel, verhouding

Voorbeeld

Het gaat om de prijs per stuk,
daarom hoort hier een vermenigvuldiging bij.

Hier zie je vaak dat leerlingen alleen losse signaalwoorden gebruiken, zonder verder te kijken. Maar een signaalwoord is niet waterdicht. Het woord "minder" betekent niet automatisch een min som."Totaal"past ook bij heel veel verschillende bewerkingen. 

4. Rekenen

(drieslag: uitvoeren – stap 4)

Dit is de fase waarin veel leerlingen zich zeker voelen. De taal is hier procedureel.

Typische woorden:

  • keer, gedeeld door

  • groepjes van

  • rij / kolom

  • uitrekenen

  • stap voor stap

Voorbeeld

"Ik reken met groepjes van vier en tel die bij elkaar op."

"Ow, ik moet lengte keer breedte doen."

Deze fase verloopt vaak soepel, maar zonder de eerdere taalfases staat het rekenen los van betekenis.

5. Controleren en reflecteren

(drieslag: reflecteren – stap 5)

Na het rekenen is de som nog niet af. Het antwoord moet terug naar de situatie.

De taal die hier nodig is, is reflectietaal.

Woorden en vragen die hierbij horen:

  • klopt dit?

  • kan dit?

  • logisch

  • ongeveer

  • te veel / te weinig

  • past dit bij het verhaal?

  • éénheid

Voorbeeld

Dit bedrag lijkt te hoog.
Dat klopt niet met de situatie.

Zonder deze fase blijft een antwoord een los getal,
zonder betekenis.

Rekentaal verschilt ook per domein en grootheid

Naast verschillen per rekenfase verschilt rekentaal ook per domein en grootheid.

Woorden zijn niet universeel.

  • geld: prijs per stuk, korting, wisselgeld

  • tijd: duur, twee weken later, datum

  • inhoud: liter, bijvullen

  • oppervlakte: uitbreiden, omtrek

  • verhoudingen: schaal, verhouding

Voorbeeld

De temperatuur stijgt klinkt logisch.
De temperatuur breidt uit niet.


Rekentaal is domeingebonden en om te rekenen moet je al die woorden kennen.

Wat betekent dit voor je rekenonderwijs?

Als rekentaal per fase én per domein verschilt, dan zijn losse signaalwoorden onvoldoende.

Wat helpt:

  • situaties eerst laten verwoorden

  • taal expliciet koppelen aan rekenfases

  • woorden laten kiezen, vergelijken en afwegen

  • sommen laten ontstaan vanuit betekenis

Niet meer taal naast rekenen, maar taal ín het rekenen.

Tot slot

Rekentaal is geen lijstje woorden dat je een keer aanbiedt. Het is een manier van denken die meegroeit met elke rekenfase
en met elke grootheid waar leerlingen mee werken.

Wie daar tijd in investeert, merkt dat redactiesommen beter gemaakt worden, minder willekeurig aanvoelen en beter begrepen worden.

En dat is misschien wel de meest onderschatte rekenvaardigheid in het basisonderwijs.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.